D66 moet de scheidslijn tussen insiders en outsiders slopen

Onderstaand artikel verscheen op 10 oktober 2018 in NRC Handelsblad en nrcnext.

Rob Jetten wordt de nieuwe fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer. Of hij ook de nieuwe partijleider wordt, zal nog moeten blijken, maar de vraag is: hoe moet D66 verder na het vertrek van Alexander Pechtold?

De aantredende partijleider zal nieuwe accenten gaan leggen ten opzichte van zijn voorgangers. Zoals dat altijd gaat. Dat is namelijk wat sociaal-liberalen doen: als de maatschappelijke omstandigheden veranderen, handelen zij daarnaar. Hans van Mierlo kaartte de noodzaak tot democratisering aan in een tijd van ontzuiling. Jan Terlouw wees op het belang van milieu en klimaat in een tijd waarin de grenzen van wat de aarde aankan zich onomwonden aandienden.

Alexander Pechtold hield een bepalende toespraak op 12 mei 2007, een half jaar na de verkiezingsnederlaag waardoor D66 met slechts drie zetels in de Tweede Kamer bleef. “De twintigste eeuw,” zei hij, “kende een ongelooflijke ontwikkeling en emancipatie van het individu. De vraag is niet of we daarmee doorgaan, maar hoe.” Hij sprak over “een nieuwe tweedeling” tussen insiders en outsiders:het verschil tussen zij die comfortabel leefden met een vaste baan, koophuis en goede diploma’s en zij die het hoofd boven water moesten houden zonder vast contract met hoge huren en zonder kansen door te groeien.

Ontwikkeling en emancipatie van het individu: dat was de agenda van Pechtold in de twaalf jaar dat hij D66 leidde. In de praktijk resulteerde dit vooral in plannen voor hervorming van de verzorgingsstaat, de arbeidsmarkt, de woningmarkt, en natuurlijk: het onderwijs.

Wat is de taak voor zijn opvolger? Nog sterker dan in 2007 zien we versplintering in de samenleving. Mensen zien een kloof tussen arm en rijk, lager en hoger opgeleid, allochtoon en autochtoon. Acht op de tien mensen ervaart spanningen tussen groepen. En opleidingsniveau blijkt de beste indicator voor de vraag in welke mate iemand vertrouwen heeft in de toekomst. Hoger opgeleiden zien kansen in globalisering, lager opgeleiden risico’s. Hoger opgeleiden omarmen digitalisering en robots, lager opgeleiden vrezen voor hun baan door open grenzen en technologische ontwikkelingen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau spreekt zelfs van ‘gescheiden werelden’.

Een breed gedeeld besef dat de volgende generatie het beter krijgt dan de vorige ontbreekt in onze samenleving. En dat is niet zonder risico’s. Recente publicaties in de politicologie, waaronder Yascha Mounk’s The People vs. Democracy. Why our freedom is in danger & how to save it, maken aannemelijk dat het vertrouwen dat mensen hebben in de liberale democratie onlosmakelijk verbonden is met het vertrouwen of zij onder aan de streep het beste af zijn in dit systeem. Als het vertrouwen in economische kansengelijkheid wegsijpelt, krijgen politici vrij spel die roofbouw willen plegen op onze democratische rechtsstaat. Van Orbán en Trump tot Farage en Wilders. Hun nationalisme is een reactie op de gevoelde bestaansonzekerheid en grieven van kiezers.

Dat is een boodschap die D66 zich moet aantrekken. Het emanciperen van het individu – het slopen van de onrechtvaardige scheidslijn tussen insiders en outsiders ­– is nog niet voltooid. Enkele weken geleden publiceerde The Economist een essay over de huidige staat van het liberalisme. Voornaamste conclusie: veel liberalen – de radicalen van weleer die de samenleving ingrijpend wilden veranderen – waren tevreden geworden. Terwijl er genoeg ‘radicale’ plannen liggen te wachten, die betekenisvol kunnen zijn voor de mensen die nu belemmerd worden door een, in de woorden van Hans van Mierlo, ‘steeds hogere en steeds ondoordringbaardere muur’.

In de eerste plaats is dat een agenda van radicale kansengelijkheid. Dat is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid, ook het succes van onze liberale democratie hangt ervan af.

Ten tweede moet de partij economische machten weer betwistbaar te maken. Internationale grootmachten als Facebook en Alphabet mogen niet boven de wet verheven zijn. Onze democratie, in Nederlands en Europees verband, moet sterker zijn dan bedrijven en altijd in staat zijn de rechten van het individu te beschermen. Dat kan vragen om striktere wetgeving op bijvoorbeeld het gebied van monopolies.

En ten derde is dat democratisering van overheid en samenleving. Dat was nodig in het ontzuilende 1966, en is nu opnieuw urgent. Mensen moeten meer te zeggen te hebben over ontwikkelingen die hun leven raken. De vijftien voorstellen voor democratische vernieuwing die het D66-congres afgelopen zaterdag heeft omarmend zijn een goede start.

En het regeerakkoord dan? De nieuwe fractievoorzitter moet een stabiele partner van de coalitie zijn. Maar het regeerakkoord is het beginpunt voor politieke samenwerking, niet het eindpunt van het denken. Maatschappelijke veranderingen en internationale ontwikkelingen zijn niet vier jaar op pauze te zetten. Hoe langer het kabinet zit, hoe groter de noodzaak om te reageren op nieuwe ontwikkelingen met nieuwe ideeën.